top of page

Kapitaal, private investeringen, durfkapitaal en de innovatie-economie - waarom Amerika het geld aantrekt dat België nodig heeft

  • Foto van schrijver: Redactie / Editors
    Redactie / Editors
  • 10 mei
  • 5 minuten om te lezen

Waarom stroomt zoveel kapitaal in de wereld nog altijd richting Verenigde Staten? Waarom kiezen private investeringen zo vaak voor New York, Silicon Valley, Austin Miami of Boston, eerder dan voor Brussel, Antwerpen, Gent of Luik? Waarom ziet durfkapitaal Amerika als de natuurlijke thuishaven van de innovatie-economie? Voor België, en bij uitbreiding voor Europa, zijn dit geen theoretische vragen. Ze raken aan onze welvaart, onze industriële toekomst en ons vermogen om nieuwe wereldspelers te bouwen in plaats van vooral buitenlandse kampioenen te bewonderen of te reguleren.


De ongemakkelijke waarheid is dat de Angelsaksische wereld, en vooral de Verenigde Staten, iets hebben opgebouwd wat Europa wel bewondert maar zelden durft te kopiëren: een volledige kapitaalmachine. Het gaat niet alleen over lagere belastingen, meer ondernemerszin of grotere markten. Het gaat over een systeem waarin spaargeld, risico, ambitie, faillissementen, universiteiten, beursmarkten, pensioenfondsen, het juridische systeem, ingenieurs en klanten min of meer in dezelfde richting bewegen. Geld in Amerika schaamt zich niet om groei na te jagen. In grote delen van Europa wordt geld nog te vaak gebruikt om veiligheid en pensioenen boven innovatie en schaalgrootte te verkiezen.


Waar vloeit venture capital naarote
Waar vloeit venture capital naartoe

De Verenigde Staten blijven de grootste magneet ter wereld voor buitenlandse directe investeringen met 5,71 biljoen dollar. Ook Europees geld stemt vaak met de voeten en trekt naar Amerika. Dat zou ons niet alleen moeten verbazen, maar ook verontrusten. Want als Europese spaarders, fondsen en bedrijven hun kapitaal liever in Amerikaanse groei investeren dan in Europese industriële vernieuwing, dan zegt dat iets over ons investeringsklimaat.


Een eerste reden is vanzelfsprekend: de Verenigde Staten vormen één enorme binnenlandse markt. Een onderneming die in Californië werkt, kan uitbreiden naar 50 andere staten waaronder Texas, Florida en New York binnen één dominante bedrijfstaal, één federaal kader en een relatief samenhangende commerciële cultuur. Europa heeft op papier een interne markt, maar elke Belgische ondernemer kent de praktijk: talen, fiscaliteit, arbeidsregels, consumentengewoonten, aanbestedingen en toezichthouders verschillen nog altijd sterk per land. Opschalen van Brussel naar Berlijn, Parijs, Madrid en Warschau kan, maar het is trager, duurder en complexer dan schalen van Boston naar Seattle.


Een tweede reden is de diepte van de financiële markten. Amerika heeft niet alleen banken, maar ook gigantische kapitaalmarkten. Pensioenfondsen, universiteitsfondsen, verzekeraars, beleggingsfondsen, hedgefondsen, private-equityspelers en durfkapitaalfondsen zoeken voortdurend naar rendement. In Europa blijft bedrijfsfinanciering veel sterker bankgericht, voorzichtiger en minder gebaseerd op eigen vermogen. Banken zijn belangrijk, maar ze zijn niet gebouwd om de meest risicovolle vernieuwing te financieren.


Dat is cruciaal, want de industrieën van morgen ontstaan zelden met klassieke bankleningen. Artificiële intelligentie, biotechnologie, halfgeleiders, robotica, batterijtechnologie, defensietechnologie en diepe softwareplatformen vragen vaak jaren van verliezen voordat ze duurzame winsten opleveren. Een bank houdt niet van dat profiel. Durfkapitaal wel. Amerikaanse investeerders begrijpen dat negen mislukkingen soms de prijs zijn voor één bedrijf dat een volledige sector verandert. In België vragen we jonge ondernemingen te vaak naar voorspelbare kasstromen voordat ze de kans hebben gekregen om een onvoorspelbaar succes te worden.


Dat komt niet omdat België geen talent heeft. Integendeel. Ons land heeft uitstekende universiteiten, sterke biotech clusters, hoogstaande ingenieurs, logistieke troeven, farmaceutische expertise, materiaalkennis en een centrale ligging in Europa. Belgische start-ups en scale-ups bestaan wel degelijk, en sommige zijn bijzonder indrukwekkend. Ook onze private-equity- en durfkapitaalsector speelt een betekenisvolle rol. Maar het probleem is schaal. België heeft beloftevolle bedrijven; Amerika heeft ecosystemen die beloftevolle bedrijven kunnen omvormen tot wereldspelers.


We hebben slim kapitaal, maar niet genoeg massaal risicokapitaal. We hebben ondernemers, maar nog te vaak een cultuur waarin ambitie verdacht wordt zodra ze te groot wordt. België staat in geen enkele start up lijst waar de VS en Israël de lijst aanvoeren en Scandinavië, het Verenigd Koninkrijk en Nederland ook nog redelijk goed scoren. In de Verenigde Staten mag een ondernemer hardop zeggen dat hij of zij een wereldbedrijf wil bouwen. In België wordt zo iemand al snel gevraagd om “realistisch” te blijven. Dat woord klinkt verstandig, maar het kan ook een deksel zijn op economische verbeelding.


Europa in het algemeen-en België in het bijzonder kent dit probleem al langer. We zijn sterk in onderzoek, onderwijs, industriële knowhow en regelgeving, maar zwakker in start up’s en het opschalen van nieuwe bedrijven. Veelbelovende Europese start-up ondernemers trekken naar de Verenigde Staten omdat ze daar grotere financieringsrondes kunnen ophalen, sneller klanten vinden en makkelijker talent aantrekken met aandelenopties. Zo betaalt Europa mee aan de opleiding van talent en de vroege ontwikkeling van ideeën, terwijl de grote waardesprong elders plaatsvindt.


België lijdt aan een verscherpte versie van die Europese ziekte. Onze federale complexiteit is voor buitenlandse investeerders niet charmant, maar duur. Een investeerder die naar België kijkt, ziet meerdere regeringen, overlappende bevoegdheden, taalkundige gevoeligheden, trage vergunningen, hoge loonkosten en fiscale onzekerheid. Geen van die elementen is op zichzelf fataal. Samen creëren ze twijfel bij investeerders. Kapitaal vraagt geen perfectie, maar wel duidelijkheid. Waar duidelijkheid ontbreekt, vertrekt kapitaal gewoon naar elders.


Daarbij komt de houding tegenover mislukking. In Amerika kan een faillissement een litteken zijn met een verhaal. In België voelt mislukking nog te vaak als een sociaal vonnis. Dat culturele verschil heeft economische gevolgen. Durfkapitaal leeft van herhaalde experimenten. Nieuwe industrieën ontstaan niet omdat een commissie ze netjes plant, maar omdat ondernemers proberen, falen, bijsturen, opnieuw geld ophalen en plots wel schaal vinden. Een samenleving die mislukking te hard bestraft, krijgt minder pogingen. Minder pogingen betekenen minder doorbraken.


Ook de exit-markt speelt een rol. Investeerders steken geld in jonge bedrijven omdat ze ooit een uitweg verwachten: een beursgang, een strategische verkoop of een secundaire transactie. De Verenigde Staten hebben Nasdaq, de New York Stock Exchange, analisten-markten, grote institutionele beleggers en een lange traditie van groeibedrijven waarderen vóór ze volwassen winstgevend zijn. Europa heeft dunnere, meer gefragmenteerde beursmarkten en kijkt vaak sceptischer naar verlieslatende groeibedrijven. Zonder geloofwaardige exits blijft durfkapitaal kleiner, voorzichtiger en minder herbruikbaar.


België moet hier niet op reageren met afgunst of fatalisme. We hoeven Amerika niet blind te kopiëren. Het Belgische en Europese model heeft reële troeven: sociale cohesie, gezondheidszorg, onderwijs, infrastructuur, publieke onderzoeksinstellingen en een levenskwaliteit die nog altijd een economisch voordeel vormt. Maar we moeten eerlijk zijn: een sterke welvaartsstaat heeft sterke welvaartscreatie nodig. Herverdeling zonder voldoende creatie wordt op termijn beheerde achteruitgang.


De oplossing is niet simpelweg “lagere belastingen” of “minder regels”, al kunnen beide helpen. De diepere opdracht is België aantrekkelijker maken voor productief risico. Dat betekent snellere vergunningen voor industriële projecten, eenvoudiger vennootschapsregels, aantrekkelijkere aandelenopties, meer betrokkenheid van pensioenfondsen bij groeikapitaal, betere voorwaarden voor universitaire spin-offs, nauwere samenwerking tussen onderzoek en industrie, en een politieke cultuur die ondernemers ziet als bouwers in plaats van als verdachten.


Op Europees niveau moet de kapitaalmarkt-unie eindelijk meer worden dan een conferentieslogan. Europa heeft grotere en beter geïntegreerde aandelenmarkten nodig die ondernemingen kunnen financieren van zaaifase tot wereldschaal. Het heeft overheidsopdrachten nodig die jonge bedrijven hun eerste grote klanten geven. Het heeft toezichthouders nodig die begrijpen dat snelheid ook een vorm van concurrentiekracht is. De wereld wacht niet terwijl Europa nog een kader verfijnt.


Het Angelsaksische voordeel is geen magie. Het is afstemming. De Verenigde Staten stemmen kapitaal af op ambitie, ambitie op markten, markten op exits en exits op de volgende golf kapitaal. België stemt veel goede zaken op elkaar af zoals onderwijs, stabiliteit, ligging, technische kennis, maar onze samenleving is te voorzichtig om te investeren.


Geld gaat naar plaatsen waar het kan groeien, schalen en uitstappen. De Verenigde Staten hebben dat beter begrepen dan wie ook. België staat daarom voor een keuze: worden we een centraal liggend investeringsplatform of staan we de komende decennia aan de zijlijn van nieuwe technologie en investeringen?


Beeld credits: Mariia Shalabaieva via Unplash

 

bottom of page