De digitale Goelag
- Alexandra S. Villers

- 4 minuten geleden
- 3 minuten om te lezen
Ursula’s Europa profileert zich met trots als de bakermat van vrijheid. De Verlichting, de democratische rechtsstaat en het Vrije Woord behoren tot de fundamenten waarop Europa haar beschaving heeft gebouwd en anderen heeft geïnspireerd. Maar achter deze zelfverzekerde schijnvertoning voltrekt zich een ontwikkeling die steeds moeilijker te ontkennen valt: de criminalisering van afwijkende meningen.
Waarschuwingen over toenemende censuur werden jarenlang gebagatelliseerd. Vandaag klinken die waarschuwingen niet langer alleen uit de mond van dissidenten. Op de Veiligheidsconferentie van München waarschuwde de Amerikaanse vicepresident JD Vance dat fundamentele vrijheden in Europa onder druk staan. Kort daarna publiceerde The Economist een reeks artikelen waarin het dezelfde conclusie trok: Europa heeft een probleem met de vrije uiting van meningen.

En die meningen zijn niet per se oproepen tot concreet geweld, die terecht illegaal zijn. Steeds vaker worden uitspraken geviseerd die als kwetsend of beledigend worden beschouwd. Of, zoals de Anglosaksische wereld het noemt: hate speech.
‘Haatdragende taal’ wordt gedefinieerd als gesproken of geschreven uitingen die haatvol zijn, en notoire antisemiet Herman Brusselmans toonde Vlaanderen dat deze zeker bestaan. Joodse gemeenschappen in Europese grootsteden worden in stijgende lijn geconfronteerd met een ongefilterde Jodenhaat die ruikt naar een periode waarin zij werden vergeleken met ongedierte dat bestreden moet worden. Dat deze analogie vandaag snel in concrete daden resulteert, zagen we in de bloedbaden van Bondi Beach en het Capitool. Het is echter niet deze taal die werkelijk haat uitdraagt die het strengst wordt aangepakt, maar wel de taal die de gezaghebbers haten.
Hate speech is speech they hate.
In Groot-Brittanië, het land dat enkele van de meest vooraanstaande verdedigers van het liberale gedachtegoed voortbracht, waaronder de ‘drie Johns’: Milton, Locke en Mill, worden volgens een recent rapport van de Times 12 000 arrestaties per jaar — meer dan 30 per dag ! — gemaakt op grond van hate speech-wetten. Zijn al deze mensen werkelijk haatdragend? Of schofferen zij de dogma's van een pathologisch politiek correcte cultuur waarin gevoelens steeds zwaarder wegen dan waarheid?
Zelfs verkeerd denken is verboden: Adam Smith-Connor en Isabel Vaughan-Spruce werden veroordeeld omdat zij stilzwijgend baden in de buurt van een abortuskliniek. Zij spraken niemand aan, deelden geen pamfletten uit en veroorzaakten geen enkele verstoring. Welke positie men ook inneemt over de kwestie, de vraag blijft dezelfde: sinds wanneer is een vreedzame gedachte een zaak voor politie en justitie?
De trend beperkt zich niet tot de openbare ruimte. In Finland werd voormalig parlementslid Päivi Räsänen jarenlang vervolgd nadat zij een Bijbelvers had gedeeld en kritiek had geuit op het LGBT-standpunt van haar kerk. De zaak Räsänen zendt een zorgwekkend signaal uit: wie ziet wat er met dissidente stemmen gebeurt, leert al snel welke meningen beter onuitgesproken blijven. De burger wordt niet door massale arrestaties het zwijgen opgelegd, maar door zelfcensuur.
De meest vicieuze strijd tegen het Vrije Woord speelt zich af op het internet. Met de Digital Services Act verscheen voor het eerst een Europese gedachtenpolitie aan de horizon, belast met het bewaken van wat online gezegd mag worden. Sociale-mediaplatformen werden vroeger aangemoedigd om dubieuze berichten te laten beoordelen door factcheckers die zelf nooit werden gefactcheckt. Vandaag gaan ze een stap verder: niet enkel zogenaamde desinformatie wordt verwijderd, maar ook ongewenste opvattingen.
Kritiek tégen ongebreidelde immigratie, tégen de afbrokkeling van de Europese cultuur, tégen het islamisme en tégen seksuele perversiteiten is ongewenst, evenals visies die zich uitspreken vóór nationale identiteit, vóór de bescherming van Europese beschaving en waarden, vóór het christendom, vóór cultureel zelfbehoud, vóór traditionele gezinswaarden. Deze anathema’s worden geclassificeerd als een bedreiging voor de democratie, terwijl de onverkozen leiders van de Europese Unie het levende bewijs zijn van het flagrant óndemocratische karakter van het instituut dat zij vertegenwoordigen.
Het verleden toont aan dat censuur nooit begint als een frontale aanval op vrijheid, maar als een redelijke, noodzakelijke maatregel om de burger te beschermen. Controversiële stemmen zijn slechts het eerste doelwit — daarna volgt iedereen die ongehoorzaam is aan de heersende orthodoxie.
De Europese burger staat vandaag voor een fundamentele keuze. Wilt hij leven in een vrije samenleving waarin hij zonder angst voor repercussie zijn overtuiging kan uiten, ook wanneer die ongemakkelijk of aanstootgevend is? Of verkiest hij een Orwelliaanse dictatuur waarin overheden en bureaucraten bepalen welke woorden nog op zijn lippen mogen liggen? De Europese oorlog tegen het Vrije Woord gaat niet enkel over de teloorgang van de democratie — het zijn het debat en de zoektocht naar Waarheid die in het gedrang komen.
Want zij die vandaag de digitale goelag aanvaarden, zullen zich morgen bij de kleinste misstap in een echte bevinden.
Beeld credits: Getty Images via Unsplash



