Het Hebreeuws herontdekt – Van heilige taal tot volkstaal
- Lorenzo Cianti

- 4 dagen geleden
- 5 minuten om te lezen
Sommige talen begeleiden het ontstaan van een beschaving. Andere gaan er uiteindelijk zo nauw mee samenhangen dat ze er het lot van lijken te belichamen. Het Hebreeuws behoort zonder twijfel tot die tweede categorie. Tijdens de tweede bijeenkomst van de cyclus Lechaim – Op het leven! Reis door de joodse identiteit, in het Romeinse cultureel centrum Il Pitigliani, stond de wederopstanding van het Hebreeuws centraal. Gelukkig gebeurde dat op een manier die het onderwerp weghaalde uit de sfeer van didactische gemeenplaatsen en het zijn volle historische, spirituele en intellectuele betekenis teruggaf.
Aan tafel zaten journalist Ruben Della Rocca van Linkiesta.it, rabbijn Benedetto Carucci Viterbi, rector van het Liceo Renzo Levi, en Sara Ferrari, hoogleraar Hebreeuwse taal en cultuur aan de Universiteit van Milaan en docent Bijbels Hebreeuws aan het Protestants Cultureel Centrum van die stad. Ferrari is ook de auteur van La lingua ebraica, dat in 2025 verscheen bij Carocci. Wat deze avond bijzonder maakte, was dat filologie, geheugen en identiteit er op vanzelfsprekende wijze samenvielen, zonder dat het gesprek op enig moment verzandde in academische stroefheid.

Een van de grootste verdiensten van de bijeenkomst was dat zij een hardnekkige misvatting uit de weg ruimde: het idee dat het Hebreeuws een dode taal was die vervolgens als bij wonder weer tot leven kwam. Dat beeld is verleidelijk in zijn eenvoud, maar historisch misleidend. Het Hebreeuws hield inderdaad lange tijd op de taal van het dagelijkse verkeer te zijn. Maar het hield nooit op een taal van gebed, studie, commentaar, poëzie en correspondentie te zijn. Het bleef, met andere woorden, een taal van beschaving.
Daarmee is ook meteen gezegd dat het Hebreeuws nooit echt verstard is geraakt. Het bleef voortleven in het bewustzijn van een volk wat verspreid over de wereld leefde, in zijn boeken, in de cadans van de liturgie, in de nauwgezette arbeid van de exegese. Precies die ononderbroken continuïteit maakt het Hebreeuws tot een uniek historisch fenomeen. Niet veel talen kunnen zeggen dat zij eeuwenlang niet de taal van de straat waren, maar wél die van de geest.
In dat verhaal is het onderscheid tussen Theodor Herzl en Eliezer Ben-Yehuda essentieel. Herzl begreep de politieke noodzaak van een joodse staat. Ben-Yehuda begreep dat een volk pas werkelijk herboren wordt wanneer het opnieuw leert spreken in zijn eigen taal, niet alleen in parlementen of congressen, maar thuis, aan tafel, tegen zijn kinderen. Juist in dat ogenschijnlijk kleine gebaar school een revolutie. Het Hebreeuws werd niet langer alleen de taal van herinnering en overlevering, maar opnieuw die van het dagelijks leven.
Sara Ferrari maakte duidelijk dat die geschiedenis zich niet laat vangen in een eenvoudig, lineair verhaal. Het Hebreeuws is geen onveranderlijk blok, maar een taal die zich in lagen heeft opgebouwd: bijbels, rabbijns, middeleeuws, liturgisch, poëtisch, modern, Israëlisch. Het leeft bovendien steeds in verhouding tot andere talen uit de joodse wereld - het Jiddisch, Ladino, Judeo-Arabisch, Judeo-Italiaanse dialecten - en tot het Aramees, dat een beslissende invloed heeft uitgeoefend. Dat taalkundige pluralisme ondermijnt de eenheid van Am Yisrael niet, maar verrijkt haar juist. Het Hebreeuws verschijnt daardoor niet als een marmeren monument, maar als een levende vorm die de eeuwen doorkruist, verandert en zich aanpast, zonder ooit zijn kern te verliezen.
Ook de bijdrage van rabbijn Benedetto Carucci Viterbi gaf de avond een bijzondere diepte. Het Hebreeuws simpelweg een ‘heilige taal’ noemen, zo liet hij zien, is eigenlijk te mager. In de joodse traditie spreekt men van Lashon ha-Qodesh: de taal van de heiligheid, of zelfs de taal van de Heilige. Dat is meer dan een eretitel. Het wijst erop dat het Hebreeuws nooit zomaar een neutraal communicatiemiddel is geweest, geen verwisselbare code zoals elke andere. In die taal ligt een wereldbeeld opgeslagen, een geheugen, een ordening van de werkelijkheid. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de poging om haar om te vormen tot politieke omgangstaal juist in streng-religieuze kringen op felle weerstand stuitte.
Wat deze bijeenkomst extra interessant maakte, was dat zij zich wist te onttrekken aan een al te makkelijke tegenstelling tussen nostalgie en modernisering. Het hedendaagse Hebreeuws is geen archeologische reconstructie van het Bijbels Hebreeuws, maar het is ook geen volledig nieuwe creatie die van haar wortels is losgesneden. De continuïteit tussen beide is nog altijd indrukwekkend zichtbaar in woordenschat, vormleer en syntaxis. Wie vertrouwd is met de Torah of wekelijks luistert naar de lezing van de parashah op Shabbat, herkent in het moderne Hebreeuws nog steeds wortels, ritmes en betekenissen die eeuwen overbruggen.
Juist daarom kent de herleving van het Hebreeuws nauwelijks een echt equivalent in de Europese geschiedenis. De verhouding tussen Bijbels en modern Hebreeuws is niet te vergelijken met die tussen het Latijn en de Romaanse talen. De afstand is kleiner, de continuïteit groter, de historische draagkracht dieper.
Bijzonder verhelderend was ook de reflectie op de diaspora. Niet als louter een toestand van verlies of een ruimte van behoud, maar als een bron van culturele scheppingskracht. Een volk zonder politieke onafhankelijkheid vond in studie, commentaar, literatuur en gebed een innerlijk vaderland. Zo bleef het Hebreeuws ook buiten Sion leven: in gesprek met andere tradities, gevoed door vreemde invloeden, maar zonder ooit zijn eigen oorsprong prijs te geven. Dat gold voor de Spaans-joodse bloeiperiode, waarvan Ferrari de mythe van de ‘perfecte co-existentie’ tussen Arabieren en joden terecht nuanceerde, en evenzeer voor het joodse leven in Italië, met figuren als Immanuel Romano, Mosè da Rieti, Leone da Modena en Mosè Zacuto. In al die gevallen toont het Hebreeuws zich opmerkelijk ontvankelijk: een taal die invloeden opneemt, verwerkt en transformeert.
Het voorbeeld dat rabbijn Carucci Viterbi gaf uit Rashi’s commentaar was in dat opzicht bijzonder treffend. Wanneer Jakob zegt dat hij bij Laban heeft verbleven, leest Rashi in het woord garti niet alleen “ik verbleef als vreemdeling”, maar ook een verwijzing naar de numerieke waarde die correspondeert met de 613 mitzvot. In één woord komen zo vreemd -zijn en trouw - blijven samen. Het is een subtiele maar krachtige gedachte: men kan elders leven zonder een ander te worden. Misschien is er geen kernachtiger formule denkbaar voor de ervaring van de diaspora.
Aan het slot bracht Ferrari het gesprek naar het heden, en naar 7 oktober 2023, een trauma waarvoor Israël zich, althans tijdelijk, bijna sprakeloos terugvond. Daardoor kreeg de avond nog een extra dimensie. Ineens werd duidelijk dat de vraag naar taal nooit louter historisch is. Zij raakt ook aan de manier waarop een samenleving catastrofe, verlies en geweld kan verdragen en verwoorden. Poëzie, zo werd opgemerkt, is vaak de eerste vorm van antwoord, omdat zij dichter bij de rauwe wond staat. Proza vraagt afstand, bezinking, tijd. Na de Shoah, net als na de Jom Kipoeroorlog, was de kwestie niet alleen hoe de donkerste bladzijden van de geschiedenis verteld moesten worden, maar vooral in welke taal hun gewicht überhaupt gedragen kon worden.
Misschien is dat uiteindelijk de diepste betekenis van het Hebreeuws. De geschiedenis van die taal valt samen met die van een volk dat, verspreid over de wereld, nooit heeft opgehouden in zijn eigen woorden te wonen. En toen die woorden opnieuw de taal van het publieke leven, van de politiek en van de natiestaat werden, verloren zij niets van wat zij al die eeuwen met zich hadden meegedragen: de verhevenheid van de Schrift, de spiritualiteit van de liturgie, de pijn van de ballingschap, de discipline van de studie, de hardnekkigheid van de herinnering.
Daarom blijft het Hebreeuws fascineren, ook buiten de grenzen van de taalkunde. In die taal weerspiegelt zich een idee van beschaving, van historische continuïteit en van innerlijke vrijheid dat in een tijd van collectief geheugenverlies zeldzaam en kostbaar is. Juist daarom verdient het Hebreeuws het niet alleen bestudeerd, maar ook overdacht te worden.
Lorenzo Cianti studeert politieke wetenschappen en internationale betrekkingen aan de Roma Tre University. Hij schrijft voor het oudste opiniemagazine van Italië, L'Opinione delle Libertà, evenals voor het online magazine Atlantico Quotidiano en het Mises Institute. Hij schrijft over economische, filosofische, culturele en politieke onderwerpen.
Dit artikel verscheen eerder op de website van L’Opinione magazine
Beeld credits: Mick Haupt via Unplash



