Er is niets nieuws aan Trumps economisch populisme
- Lorenzo Cianti

- 1 dag geleden
- 7 minuten om te lezen
De 6-3-beslissing van het Hooggerechtshof die Donald Trumps noodtarieven ongeldig verklaarde, vrijwel onmiddellijk gevolgd door de reactie van de president om ze opnieuw in te voeren en te verhogen, herinnert ons er opnieuw aan hoe snel de Amerikaanse politiek zich ontwikkelt. Toch loont het in sommige gevallen om te erkennen dat bepaalde onderliggende lijnen in het overheidsbeleid constant blijven, ongeacht de periode of de leiders die de macht hebben.
Al te vaak mengen zogenoemde “experts” zich in de actualiteit zonder enige werkelijke beheersing van de economische geschiedenis. Denk aan de verontwaardiging onder prominente Republikeinen over Trumps bombastische campagne beloften en over wat zijn critici zien als verontrustende stappen sinds zijn terugkeer in het ambt.

In een opiniestuk van december 2025 voor The New York Times betoogde voormalig presidentskandidaat Mitt Romney dat tarieven “lagere- en middeninkomens-gezinnen belasten”, waarbij hij verwees naar analyses die laten zien dat ze functioneren als een regressieve belasting die de armste Amerikanen het hardst treft. Tegelijkertijd gebruikte hij in datzelfde stuk progressieve retoriek door op te roepen tot hogere belastingen voor de rijken, hemzelf inbegrepen. Wij zijn hier niet van plan Trump te verdedigen, maar één verwaarloosd aspect verdient aandacht.
Al tientallen jaren bestaat de hardnekkige mythe dat de Republikeinse Partij van het Reagan-tijdperk het begin markeerde van een tijdperk van ongebreideld laissez-fairekapitalisme, waardoor het volledige ideologische spectrum opschoof in de richting van vrijhandel en bedrijfsvriendelijke standpunten. Daardoor werd het vanzelfsprekend om Trump neer te zetten als een buitenbeentje binnen de Republikeinse gelederen — een irritant, heterodox hoofdstuk in het verhaal van een partij die, althans aan de oppervlakte, al lang individuele vrijheid en een kleine overheid verdedigt. De waarheid is echter veel genuanceerder dan het dominante narratief ons wil doen geloven.
Om deze simplistische opvatting te ontkrachten, moeten we de meest in het oog springende aspecten van Trumps platform ontleden en die vergelijken met het historische palmares van de Republikeinse Partij.
Protectionisme
Protectionisme is het beleid waarmee Trump het meest pronkt, zozeer zelfs dat hij zichzelf “Tariff Man” heeft genoemd. Hij ging nog verder door te zeggen dat “tariff” het mooiste woord in de Engelse taal is.
In tegenstelling tot de gangbare opvatting ontstond de Republikeinse Partij in het midden van de jaren 1850 door het “American System” van Henry Clay over te nemen, dat de hoeksteen vormde van het programma van de Whigs: de federale overheid gebruiken om de financiën te stabiliseren, binnenlandse industrie te beschermen en te bevorderen, en nationale infrastructuur op te bouwen.
Zowel de Whigs als de vroege Republikeinen waren voorstander van hogere tarieven, niet alleen om federale inkomsten te genereren, maar ook om Amerikaanse producenten te beschermen en te stimuleren, met als doel een meer gediversifieerde en industrialiserende economie op te bouwen. Zoals Lew Rockwell treffend opmerkte in de inleiding van Murray Rothbards For a New Liberty: The Libertarian Manifesto:
De Burgeroorlog werd, naast de ongekende bloedvergieten en verwoesting, door het triomfantelijke en vrijwel één-partijige Republikeinse regime gebruikt om zijn etatistische, voorheen Whig-achtige programma door te drukken: nationale staatsmacht, beschermingstarieven, subsidies aan het grootbedrijf, inflatoir papiergeld, hernieuwde federale controle over het bankwezen, grootschalige binnenlandse verbeteringen, hoge accijnzen en, tijdens de oorlog, dienstplicht en een inkomstenbelasting.
Het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden nam het Morrill-tarief aan aan de vooravond van Lincolns presidentschap. Die maatregel verhoogde de tarieven op belaste importen scherp en verbreedde de protectionistische reikwijdte van het federale beleid. Een daaropvolgende aanpassing duwde de tarieven al snel nog verder omhoog.
Het McKinley-tarief van 1890, genoemd naar de toenmalige afgevaardigde William McKinley, stelde het hoogste gemiddelde tariefniveau in de Amerikaanse geschiedenis tot dan toe vast, waarbij sommige tarieven boven de 100 procent uitkwamen. Het Fordney-McCumber-tarief van 1922, aangenomen onder Warren Harding, zorgde voor forse verhogingen in een decennium dat werd gekenmerkt door isolationisme en protectionistische sentimenten.
Toch was het de Smoot-Hawley Tariff Act van 1930, ondertekend door Herbert Hoover, die tot dat moment de meest dramatische verhoging van invoerrechten in de Amerikaanse geschiedenis veroorzaakte. Deze beruchte maatregel bracht het gemiddelde tarief op ongeveer 60 procent — tegenover 38 procent onder Fordney-McCumber — in een poging binnenlandse werkgelegenheid te beschermen. Het resultaat was een kettingreactie van vergeldingsmaatregelen door handelspartners over de hele wereld.
De Smoot-Hawley Act was een klassiek voorbeeld van beggar-thy-neighbor-beleid, waarbij een land zijn eigen nationale voordeel nastreeft ten koste van anderen. Deze nulsomlogica loopt parallel met de redenering achter Trumps tarieven, zoals de volgende grafiek laat zien:

Prijscontroles
Op 19 december 2025 kondigde Trump negen nieuwe overeenkomsten aan met grote farmaceutische bedrijven om de prijzen van geneesmiddelen op recept voor Amerikaanse patiënten te verlagen en in lijn te brengen met de laagste prijzen die in andere ontwikkelde landen worden betaald (de zogenoemde most-favored-nation- of MFN-prijsstelling). Deze vrijwillige overeenkomsten verlagen de kosten voor Medicaid-programma’s en voor bepaalde rechtstreekse verkopen aan consumenten, voortbouwend op eerdere MFN-initiatieven uit zijn regering.
Het bekendste historische precedent dateert van 15 augustus 1971, toen Richard Nixon een bevriezing van lonen en prijzen voor 90 dagen afkondigde als onderdeel van zijn New Economic Policy. Die stap was bedoeld om de uit de hand lopende inflatie te bestrijden en een valutacrisis af te wenden te midden van de ineenstorting van het Bretton Woods-systeem.
Het was de eerste invoering in vredestijd van verplichte loon- en prijscontroles in de Amerikaanse geschiedenis. Aanvankelijk kreeg die brede publieke steun, maar vervolgens bleek ze rampzalig. Aangedreven door stagflatie en de vrees voor een uitstroom van goud nadat de convertibiliteit van de dollar was beëindigd, was de inflatie tegen 1974 gestegen tot boven de 12 procent.
Het programma ontwikkelde zich via meerdere fasen, waaronder de oprichting van de Pay Board en de Price Commission om toegestane verhogingen te controleren. Kunstmatig onderdrukte prijzen leidden al snel tot wijdverbreide tekorten, vooral aan benzine en staal, met lange rijen aan de pomp en rantsoeneringsachtige omstandigheden. Bedrijven die hun kosten niet langer konden dekken, verminderden hun productie, verlaagden de kwaliteit of werden gedwongen te sluiten.
De prijscontroles verstoorden marktsignalen, maakten economische berekening onmogelijk en slaagden er niet in de inflatie op lange termijn in te dammen, waardoor vervormingen ontstonden die nog jarenlang bleven doorwerken. Waarom zouden we geloven dat soortgelijke ingrepen vandaag tot andere resultaten zouden leiden?
Belastingverlagingen
Via de Tax Cuts and Jobs Act (TCJA) van 2017 leverde Trumps eerste ambtstermijn de meest ingrijpende hervorming van de federale belastingen op sinds de jaren tachtig.
Dat weerspiegelt Ronald Reagans Economic Recovery Tax Act van 1981 — die gefaseerd een algemene verlaging van 25 procent in de individuele belastingtarieven invoerde (het hoogste marginale tarief daalde van 70 procent naar 50 procent), versnelde afschrijvingen mogelijk maakte en inflatie-indexering invoerde — en de Tax Reform Act van 1986, die de belastingschijven vereenvoudigde en het hoogste tarief terugbracht tot 28 procent, maar de totale opbrengsten ongeveer gelijk liet door compenserende maatregelen.
Zoals Rothbard stelde in zijn kritiek op Reaganomics, waren deze verlagingen in de praktijk illusoir en tijdelijk, gecompenseerd door het opschuiven naar hogere belastingschijven, stijgende loonbelastingen, verborgen verhogingen en een enorme groei van de overheidsuitgaven die het federale tekort deed exploderen zonder structurele terughoudendheid. Hoewel elke belastingverlaging welkom zou moeten zijn, ging het in beide gevallen om gemakkelijk omkeerbare maatregelen die de tekorten opdreven omdat ze niet gepaard gingen met bezuinigingen op overheidsuitgaven en op overheidsdepartementen.
Overheidsuitgaven
De Republikeinse omarming van omvangrijke overheidsuitgaven onder het vaandel van “compassionate conservatism” bereikte nieuwe hoogten tijdens het presidentschap van George W. Bush.
In 2003 ondertekende Bush Medicare Part D — een enorm nieuw recht op geneesmiddelen vergoedingen voor senioren — waarvan de aanvankelijke kosten werden geraamd op 400 miljard dollar over tien jaar, later opwaarts bijgesteld naar 534 miljard dollar. Deze vrijwillige regeling, uitgevoerd via particuliere verzekeraars, betekende een grote uitbreiding van de federale betrokkenheid bij de gezondheidszorg en voegde biljoenen toe aan de langetermijnverplichtingen zonder overeenkomstige dekking.
Evenzo voerde Bush in oktober 2008 het Troubled Asset Relief Program (TARP) in als onderdeel van de Emergency Economic Stabilisation Act, waarmee 700 miljard dollar werd geautoriseerd (later gemaximeerd op 475 miljard dollar) om financiële instellingen te redden door probleemactiva op te kopen. Uiteindelijk werd 443 miljard dollar uitgekeerd, met een nettokost van 31 miljard dollar na terugvorderingen.
Deze interventies onderstreepten de bereidheid van de Republikeinse Partij om tijdens crises federale middelen in te zetten en vormden een voorbode van Trumps eigen neiging tot hoge uitgaven. Bush’ Economic Stimulus Act van 2008 voorzag ook in 152 miljard dollar aan belasting teruggaven voor meer dan 130 miljoen huishoudens, bedoeld om de uitgaven op te voeren te midden van de financiële crisis.
Die aanpak vindt een tegenhanger in Trumps CARES Act van 2020 — een pakket van 2 biljoen dollar dat onder meer rechtstreekse betalingen van 1.200 dollar per volwassene omvatte als onderdeel van bredere steunmaatregelen, zij het op veel grotere schaal (12 procent van het bbp in 2020 tegenover 1 procent in 2008). Beide initiatieven waren gericht op snelle economische stimulering, maar gaven prioriteit aan kortetermijnhulp boven begrotingsdiscipline.
Conclusie
Trumps beleid wordt niet geleid door een coherente filosofie; het vormt een transactionele strategie die put uit tactieken die door eerdere Republikeinse leiders zijn gebruikt. Het kan het best worden begrepen als een enigszins ongeorganiseerde, tegenstrijdige mengeling van neomercantilisme, nationaal populisme en ouderwets protectionisme, geworteld in het programma van de Whigs en het traditionele republicanisme.
Trumpisme combineert hogere tarieven in het buitenland met “minder regels” in eigen land, en voegt daar Nixons prijscontroles, Reagans belastingverlagingen en Bush’ expansieve beleid aan toe. Dit alles maakt duidelijk dat dergelijk interventionisme een erfenis is van de Republikeinse Partij zelf — en niet, zoals veel analisten ten onrechte beweren, een afwijking binnen de Amerikaanse rechterzijde.
Lorenzo Cianti studeert politieke wetenschappen en internationale betrekkingen aan de Roma Tre University. Hij schrijft voor het oudste opiniemagazine van Italië, L'Opinione delle Libertà, evenals voor het online magazine Atlantico Quotidiano en het Mises Institute. Hij schrijft over economische, filosofische, culturele en politieke onderwerpen.
Dit artikel verscheen eerder op de website van het Mises Institute https://mises.org/mises-wire/there-nothing-new-about-trumps-economic-populism
Beeld credits: Giorgio Trovato via Unplash



