top of page

Voormalig Anders-voorzitter Gwendolyn Rutten liet zich gisteren in De Afspraak op de VRT uit over de Israëlische deelname aan het Eurovisie Songfestival 2026

  • Foto van schrijver: Redactie / Editors
    Redactie / Editors
  • 23 apr
  • 4 minuten om te lezen

Voormalig Anders-voorzitter Gwendolyn Rutten liet zich gisteren in  het programma “De Afspraak” op de VRT uit over de Israëlische deelname aan het Eurovisie Songfestival 2026. Haar boodschap was duidelijk: Israël mag van haar niet deelnemen.


Maar het was vooral de manier waarop ze dat deed die de wenkbrauwen deed fronsen. Rutten sprak over hoofdsponsor Moroccanoil en noemde dat eerst “geen Marokkaans bedrijf maar een Joods bedrijf”. Pas daarna corrigeerde ze zichzelf: om de terminologie “zuiver” te houden bedoelde ze een Israëlisch bedrijf.


Parlement Vlaanderen
Parlement Vlaanderen

En daar wringt het meteen op meerdere niveaus.


Om te beginnen roept Rutten, al dan niet bewust, een oud en giftig cliché op: dat van de Joodse geldmacht, de Joodse lobby, het Joodse kapitaal dat achter de schermen aan de touwtjes trekt. Dat zulke insinuaties vandaag opnieuw opduiken is al verontrustend genoeg. Dat ze nu komen uit de mond van een voormalige liberale boegbeeldpolitica maakt het alleen maar pijnlijker. Blijkbaar is een partij als Open VLD - tegenwoordig “Anders”- zo ver afgedreven dat niet alleen haar ideologische kompas zoek is, maar ook haar morele richting.


Want wat is Moroccanoil nu eigenlijk? Een Israëlisch bedrijf. Niet “het Joodse kapitaal”. Niet “de Joodse lobby”. Een Israëlisch bedrijf. Rutten begon met “Joods” en herstelde zich later naar “Israëlisch”, maar precies dat pijnlijke geschuif tussen begrippen legt het probleem bloot: hier worden etniciteit, religie, nationaliteit, bedrijfseigendom en staatsbeleid achteloos op één hoop gegooid.


Dat is niet alleen slordig. Dat is gevaarlijk.


Israël is geen etnisch homogeen land en al helemaal geen synoniem voor “de Joden”. In Israël wonen Joden, dat klopt, zij maken ongeveer 80 procent van de bevolking uit, maar daarnaast leven er ook christenen, moslims, druzen en andere minderheden. Er wonen bovendien ongeveer evenveel Joden buiten Israël als in Israël. Wie dus achteloos heen en weer schuift tussen “Joods” en “Israëlisch”, toont ofwel een onthutsende onwetendheid, ofwel een bewuste onwil om dat onderscheid serieus te nemen.


Ook over bedrijven lijkt Rutten het spoor bijster. Een Israëlisch bedrijf is in de veelzijdige democratie die Israël is gewoon een bedrijf. Zo’n onderneming kan Joodse, Arabische, christelijke en andere werknemers hebben. In Israël mag men geen apartheidsbeleid voeren binnen een onderneming. Dus wat wil Rutten precies zeggen? Dat de nationaliteit van een bedrijf op zichzelf al verdacht is? Dat eigendom, afkomst en morele schuld automatisch samenvallen? Dat een sponsor uit Israël per definitie besmet is?


Als dat de redenering wordt, dan belanden we op een hellend vlak dat we uit de donkerste hoofdstukken van de Europese geschiedenis maar al te goed kennen. Want wat Rutten in de praktijk suggereert, klinkt akelig dicht bij: Kauf nicht bei Juden! Dat soort taal, dat soort associaties, dat soort onderhuidse vijandbeelden hoorden thuis in de jaren dertig van de vorige eeuw. Niet in een hedendaags debat op de openbare omroep.


Stel het u even omgekeerd voor. Een Belgisch bedrijf, eigendom van Joodse Belgen, sponsort een cultureel evenement in Europa. Zouden we dan ook moeten spreken over “de Joodse lobby”? Zouden we dan ook moeten insinueren dat daar een verdacht netwerk van invloed achter zit? Natuurlijk niet. En precies daarom is wat Rutten hier deed in het programma De Afspraak bij de Openbare Omroep VRT zo onthutsend.


Ze maakt van een commercieel bedrijf een politiek symbool, en van dat politieke symbool vervolgens een etnisch-religieuze categorie. Alles wordt samengeklonterd tot één vijandbeeld: Israël, Joden, geld, invloed, sponsoring. Het is een intellectueel armetierige en moreel gevaarlijke redenering.


En bovendien: als Rutten echt principieel zou zijn in haar morele verontwaardiging, dan zou ze haar boycot drift op zowat de halve wereld moeten toepassen. Waarom dan niet China? Een dictatuur waar miljoenen Oeigoeren in kampen zitten opgesloten en waar de staat actief een volk probeert uit te wissen. Waarom daar geen eindeloze nationale mediacampagne over culturele uitsluiting? Waarom wel steeds opnieuw Israël, en altijd weer Israël?


Rutten is ook niet de eerste de beste. Ze is voormalig partijvoorzitter van Open VLD, jarenlang één van de grootste partijen van het land. Vandaag heet die partij “Anders”, na de slechtste verkiezingsresultaten uit haar geschiedenis. Dat het anders moet, daar valt moeilijk nog iemand van te overtuigen.


In Vlaanderen kiest de kiezer intussen massaal voor partijen als NV-A en Vlaams Belang. En dat is niet uit de lucht komen vallen. Toen Open VLD nog daadwerkelijk liberaal was, in plaats van een partij die moreel modieus wil klinken maar inhoudelijk stuurloos geworden is, behoorde ze tot de grootste partijen van Vlaanderen en leverde ze zelfs de premier. Vandaag rest een splinterpartij met amper 8 van de 150 zetels in de Kamer en 8 van de 124 zetels in het Vlaams Parlement.


Wie zich afvraagt hoe het zover is kunnen komen, moet gewoon luisteren naar wat Rutten hier zegt in De Afspraak bij de VRT, en vooral naar wat er tussen de regels door meeklinkt.


Haar insinuaties over Joodse invloeden en Joods kapitaal zouden niet misstaan hebben in het Duitsland van de jaren 30. Dat is geen detail, geen verspreking, geen futiel semantisch misverstand. Dat is een dieptepunt. En een pijnlijk dieptepunt voor een partij die decennialang zonder gêne profiteerde van Joodse stemmen. Niet voor niets reageerde ook het Joods Informatie- en Documentatiecentrum (JID) scherp met een statement op sociale media.


Na twee jaar eindeloze discussies in de Belgische commerciële media en bij de Openbare Omroep VRT over de Israëlische deelname aan het Eurovisie Songfestival, zou het stilaan verfrissend zijn als men opnieuw tot enige nuchterheid kwam. Israël moet gewoon kunnen deelnemen.


En misschien is het ironisch genoeg Duitsland dat Europa vandaag op dit punt een les geeft. Juist daar, waar men de historische gevolgen van antisemitische ontsporing beter kent dan waar ook, beseft men nog dat je dit soort redeneringen niet achteloos normaliseert. Daar begrijpt men dat morele helderheid begint bij het maken van elementaire onderscheidingen: tussen Jood en Israëliër, tussen bedrijf en staat, tussen kritiek en demonisering.


België mag daar gerust een voorbeeld aan nemen.


Beeldcredits: Parlement Vlaanderen

bottom of page