top of page

De-industrialisatie in Europa - energiebeleid en klimaatbeleid zetten de industrie op het spel

Foto van schrijver: Redactie / Editors
Redactie / Editors
23 jun
6 minuten om te lezen

De de-industrialisatie van Europa versnelt in een tempo dat enkele jaren geleden nog ondenkbaar leek. Vooral in Duitsland en Nederland worden steeds meer industriële activiteiten afgebouwd, verplaatst of definitief gesloten. Waar Wallonië, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en grote delen van Italië al eerder een groot deel van hun industriële basis verloren, lijken nu ook de laatste sterke industriële regio's van Europa onder zware druk te staan. Volgens veel ondernemers en economen is het energiebeleid in Europa een van de belangrijkste oorzaken van deze ontwikkeling. Hoge energiekosten en toenemende regelgeving waardoor een verslechterend concurrentievermogen ontstaan is, dreigen de economische fundamenten van Europa permanent aan te tasten. 


Europa heeft zijn welvaart voor een zeer belangrijk deel opgebouwd dankzij industrie. Chemie, staal, machinebouw, auto-industrie, raffinage en petrochemie vormden decennialang de motor van economische groei. Deze sectoren zorgden niet alleen voor miljoenen banen, maar ook voor innovatie, exportinkomsten en strategische onafhankelijkheid. Tegenwoordig lijkt het politieke debat echter alleen nog maar te draaien om klimaatdoelstellingen, terwijl de enorme strategische onafhankelijkheids- en welvaartsgevolgen en de concurrentiepositie van Europa onderbelicht blijven. 


De de-industrialisatie van Europa voltrekt zich met alarmerende snelheid
De de-industrialisatie van Europa voltrekt zich met alarmerende snelheid

Het energiebeleid in Europa heeft daarbij een centrale rol gespeeld. Terwijl veel landen buiten Europa investeren in goedkope en betrouwbare energie, heeft een aantal Europese landen juist een tegenovergestelde koers gekozen. Duitsland heeft in de afgelopen jaren alle kerncentrales gesloten. België heeft eveneens een groot deel van zijn nucleaire capaciteit afgebouwd of sluitingsplannen aangekondigd. Nederland is gestopt met het oppompen van de enorme gasvoorraad en hetzelfde gebeurt in het Verenigd Koninkrijk met het oppompen van olie en gas uit de Noordzee. Tegelijkertijd blijft de vraag naar elektriciteit stijgen door elektrificatie van transport, verwarming en industrie en de bevolkingsgroei door ongeremde immigratie van buiten Europa naar ons continent. 


Het resultaat laat zich raden. Energieprijzen in Europa zijn inmiddels de hoogste ter wereld. Industriële bedrijven die afhankelijk zijn van grote hoeveelheden elektriciteit en aardgas kunnen nauwelijks nog concurreren met producenten uit de Noord-Amerika, het Midden-Oosten en Azië en dan met name de VS en China. Daar zijn energieprijzen een fractie van de Europese tarieven. Bovendien hebben zowel de VS als China hun eigen markt inmiddels afgesloten voor Europese export door tarieven en handelsbeperkingen, terwijl vooral China haar staatsgeleide industriële productie dumpt tegen spotprijzen in Europa. 


De de-industrialisatie van Europa wordt hierdoor steeds zichtbaarder. Vooral Duitsland, jarenlang de industriële motor van het continent, ziet de gevolgen. In één jaar tijd zijn naar schatting meer dan 500.000 industriële banen verdwenen. Fabrieken sluiten hun deuren of verplaatsen investeringen naar regio's buiten Europa waar energie goedkoper en regelgeving voorspelbaarder is. Voor een land dat decennialang draaide op export van hoogwaardige industriële producten is dat een alarmerende ontwikkeling. 


Nederland staat voor vergelijkbare uitdagingen. Het Rotterdamse petrochemische cluster behoort tot de grootste van Europa, maar staat onder toenemende druk door hoge energieprijzen, stikstofregels, klimaatmaatregelen en onzekerheid over toekomstige investeringsvoorwaarden. Veel bedrijven zijn in Rotterdam al gesloten en productie wordt naar buiten Europa verplaatst. Bedrijven als Exxon, Shell, Dow Chemicals investeren liever in nieuwe installaties in de Verenigde Staten, waar energie goedkoop is, dan in Europa waar de kosten steeds verder oplopen. 


Een extra risico vormt het Europese emissiehandelssysteem. Wanneer de kosten voor CO2-uitstoot nog verder stijgen, worden energie-intensieve sectoren nog minder concurrerend. Voorstanders stellen dat dit bedrijven stimuleert om te verduurzamen, maar critici wijzen erop dat veel industriële processen helemaal niet zonder fossiele brandstoffen kunnen functioneren of juist kernenergie nodig hebben voor stabiele, goedkope en schone energievoorziening. Wanneer Europese bedrijven hun productie verminderen of verplaatsen naar landen met minder strenge milieuregels, verdwijnen de emissies niet uit de wereld. Ze verplaatsen zich simpelweg naar andere continenten. 


Daar komt nog bij dat Europa nauwelijks nog gebruik maakt van eigen energiebronnen. In plaats van meer aardgas te winnen of nieuwe kerncentrales te bouwen, kiest men structureel voor importafhankelijkheid. Dat maakt Europa kwetsbaar voor geopolitieke spanningen en prijsschokken. De energiecrisis van de afgelopen jaren heeft duidelijk gemaakt hoe riskant deze afhankelijkheid kan zijn. Eerst importeerde Europa uit Rusland, vervolgens uit Qatar en de VS. Na 1 jaar Trump hebben de VS zo goed als de gehele wereldmarkt van olie en gas onder controle, breiden ze het aantal kerncentrales daar uit, en is Europa zwaar afhankelijk geworden op elk gebied van iedere vorm van energievoorziening.  


Vooral het petrochemische cluster van Europa loopt gevaar. Chemische industrie is de basisindustrie voor duizenden producten die dagelijks worden gebruikt, van kunststoffen en medicijnen tot bouwmaterialen en elektronica. Zonder een concurrerende chemische sector verliest Europa niet alleen banen, maar ook strategische kennis en technologische expertise. Wanneer deze industrie eenmaal verdwenen is, is terughalen vrijwel onmogelijk.

 

Sommigen stellen voor om importheffingen op producten van buiten de Europese Unie in te voeren. Daarmee zouden producenten uit landen met lagere milieueisen dezelfde kosten moeten dragen als Europese bedrijven. Op papier klinkt dat aantrekkelijk. In de praktijk lost het echter niet alle problemen op. Europese bedrijven moeten namelijk niet alleen concurreren op hun thuismarkt, maar ook op de wereldmarkt. 


Wanneer productiekosten in Europa structureel hoger blijven dan elders, zullen Europese exporteurs nog altijd overal marktaandeel verliezen. Buitenlandse klanten zullen immers kiezen voor goedkopere alternatieven uit Azië, Noord-Amerika of het Midden-Oosten. Het gevolg is dat Europese bedrijven niet alleen binnen Europa onder druk komen te staan, maar vooral ook wereldwijd terrein verliezen. 


De auto-industrie vormt een duidelijk voorbeeld van deze ontwikkeling. Europese autofabrikanten kampen met hoge kosten, zware regelgeving en enorme investeringen in elektrificatie. Tegelijkertijd hebben Chinese fabrikanten zich ontwikkeld tot wereldspelers die tegen lagere kosten produceren. China exporteert steeds meer voertuigen naar Europa, terwijl Chinese consumenten steeds minder Europese merken kopen. De traditionele handelsbalans waarop veel Europese fabrikanten jarenlang konden vertrouwen, staat daardoor onder druk. Momenteel is het handelstekort van de EU met China 1 miljard per dag en het loopt pijlsnel nog verder op. 


De gevolgen beperken zich niet tot de auto-industrie. Ook staalproducenten, kunstmestfabrikanten, chemiebedrijven en machinebouwers ervaren dezelfde uitdagingen. De combinatie van hoge energieprijzen, klimaatmaatregelen en belastingdruk maakt investeren in Europa steeds minder aantrekkelijk. 


Dat betekent niet dat klimaatbeleid per definitie structureel verkeerd is. De vraag is of Europa een realistische balans heeft gevonden tussen duurzaamheid en economische concurrentiekracht. Wanneer de energietransitie leidt tot massaal verlies van industrie, werkgelegenheid en investeringen, ontstaat het risico dat de economische basis voor toekomstige verduurzaming juist wordt ondermijnd. Klimaatbeleid is ondemocratisch opgelegd via de EU (Fit for 55 van oud-EU-commissaris Frans Timmermans) en internationale verdragen (Parijs), terwijl de Europese burger helemaal niets is gevraagd.  


Een pragmatische aanpak zou kunnen bestaan uit een combinatie van kernenergie, eigen gaswinning, schalieolie en gas (Europa bezit enorme voorraden), technologische innovatie en zware heffingen op vervuilende importproducten uit China en andere landen. Dan ontstaat vanzelf een verduurzaming van industrie en schoner klimaat en is Europa strategisch onafhankelijk en blijft onze welvaart bestaan. Kernenergie is hier het belangrijkste; het levert stabiele, CO2 arme elektriciteit en kan helpen om energieprijzen beheersbaar te houden. Tegelijkertijd zou Europa meer aandacht moeten besteden aan de internationale concurrentiepositie van zijn bedrijven.


Waarom niet de BTW verlagen en importheffingen verhogen met hetzelfde bedrag? Dan ontstaat er meer koopkracht thuis, en verbetert de concurrentiepositie. De BTW in de VS is per staat verschillend en varieert van 0% (o.a. Nevada, Delaware, Oregon, New Hampshire) tot ongeveer 11,5%. In de VS mag iedere staat en zelfs lagere overheden als counties helemaal zelf beslissen op het BTW tarief op goederen te concurreren. Bovendien zijn voedsel en diensten niet BTW plichtig.


In Europa is belastingconcurrentie verboden en mag de BTW niet lager zijn dan het land met het laagste tarief (17%) en worden eerste levensbehoeften als energie, voedsel, en diensten zwaar belast, wat zowel de koopkracht van de burgers als de concurrentiepositie van de bedrijven aantast. 


De de-industrialisatie van Europa is geen natuurverschijnsel, maar het resultaat van kortzichtige politieke keuzes van bestuurders die zich jarenlang meer lieten leiden door klimaatlessen van een Zweeds schoolkind dan door economische en geopolitieke realiteiten.

 

Het falende energiebeleid van Europa heeft grote invloed op de toekomst van de industrie en daarmee op de toekomstige welvaart van ons continent. Als onze beleidsmakers blijven vasthouden aan maatregelen die energie nog duurder maken, dreigt Europa definitief achterop te raken ten opzichte van concurrerende economische blokken. 


De komende jaren zullen bepalend zijn. Europa kan kiezen voor een koers waarbij industrie, energiezekerheid en klimaatdoelen in evenwicht worden gebracht en er strategisch gedacht wordt. Of het kan doorgaan op het huidige pad met de zekerheid dat steeds meer fabrieken sluiten, investeringen vertrekken en hoogwaardige banen verdwijnen. De vraag is niet langer of de de-industrialisatie van Europa plaatsvindt. De vraag is hoe ver deze ontwikkeling nog mag doorgaan voordat de politiek bereid is haar koers fundamenteel te herzien. 


Beeld credits: Patrick Hendry via Unsplash

 

 

bottom of page